Waarom Genk?

Na de ontdekking van steenkool in 1901 door André Dumont werden er in de provincie Limburg zeven concessies vrijgegeven voor ontginning, wat resulteerde in de oprichting van zeven mijnzetels. Drie daarvan werden in Genk opgericht: Zwartberg, Winterslag en Waterschei. 

Genk is een jonge stad en de meeste bezoekers worden verrast door de verschillende ‘kernen’ die geclusterd toch als één geheel worden gepresenteerd. Genk was eeuwenlang een onbeduidend Kempens gehucht dat tot het einde van de 19de eeuw bewoond werd door boeren die moesten vechten tegen de zandige heidegrond. Het kleine dorp werd in de eerste helft van de 20ste eeuw echter in ijltempo uitgebreid met drie industriële sites die elk op zich een dorp creëerden dat volledig door de mijndirectie gestuurd en bestuurd werd. Genk groeide uit tot een vierkoppige semi-stedelijke structuur (in de volksmond destijds vaak smalend becommentarieerd als een stad met één officiële burgemeester en drie echte burgemeesters, de drie directeurs van de mijnen).                           

Vandaag telt Genk ongeveer 64.000 inwoners. Het is een multiculturele stad, één van Vlaanderens belangrijkste industriekernen, gericht op kennis en innovatie. De tuinwijken van Zwartberg, Winterslag en Waterschei vormen een uniek stukje erfgoed dat zich inspireerde op het 19de eeuwse Engelse tuinwijkmodel maar als het ware in luxe-editie werden uitgevoerd. De groene tuinwijken met grote unieke huizen en individuele tuintjes werden als lokmiddel ingezet voor mijnwerkers en ingenieurs uit alle windstreken. 

De venue van Waterschei kan als industrieel monument exemplarisch worden genoemd voor de reconversie van de gehele Kempense mijnregio. Elke mijnregio in West Europa zocht naar een manier om met haar steenkoolverleden om te gaan. In Zuid-Nederland wiste men alle sporen uit; in Wallonië koos men ervoor om vier mijnsites (Bois-du-Luc, Bois du Cazier, Blegny en Grand-Hornu) in hun erfgoedbeleid centraal te stellen en als een cluster naar voor te schuiven. In Limburg heeft men er voor gekozen om (met uitzondering van Zwartberg) van elke mijnsite een aantal architecturaal belangrijke gebouwen te bewaren; de mijn van Beringen werd in z’n geheel naar voor geschoven als toekomstig te ontwikkelen Vlaams Mijnmuseum. De mijn van Winterslag is succesvol ingezet als cultureel centrum en een plek waar onderwijs en innovatie centraal staan. De overgebleven architectuur van Waterschei wordt na Manifesta 9 opgenomen in de ontwikkeling van een toekomstig Masterplan, Thorpark, gericht op innovatie en kennis. Kortom, voor elke mijn werd en wordt nog steeds gezocht naar een juiste herbestemming, op maat gesneden.